Vroeger was er een gezegde:
De baas heeft altijd gelijk en zelfs als hij ongelijk heeft heeft hij toch gelijk.
De baas was de baas, punt uit. Dit was zo voor om het even welke gezagsdrager: de baas op het werk; de officier, luitenant of majoor; de priester, bisschop of paus; het parlementslid, de minister of het staatshoofd; de adel (baron, graaf, hertog, koning); en ga zo maar door. Het bestaat vandaag nog, de meeste titels zijn er nog, maar er wordt veel minder naar opgekeken.
Er was ook een sterke cultuur van "ons kent ons". De diverse overheden - vooral politiek, gerecht, politie en leger - hielden de handen boven het hoofd bij wanpraktijken; ze keken de andere kant op. Bij de slachtoffers bestond er - en vandaag nog gedeeltelijk - een overtuiging van "we kunnen er toch niets aan doen". Dit was ook zo, het vroeg heel veel moed om zelfs nog maar een opmerking te maken. Deze overtuiging van hopeloosheid bij het gewone volk bracht met zich mee dat de gezagsdragers zich onschendbaar waanden. Zo waren er uitspraken als "zeg het tegen niemand, ze gaan u toch niet geloven (1)", en dat was ook zo. Op die manier wordt macht gecreërd en versterkt.
Dit brengt een verziekt klimaat met zich mee, wat trouwens ook de efficiëntie van het bestuur ondermijnt.
Bij heel hoge gezagsdragers gaat het nog verder: de koning staat grondwettelijke boven de wet, de paus is onfeilbaar (bij het uitoefenen van zijn ambt).
Vandaag is dit - gelukkig maar - niet meer zo; gezag op basis van sociale, economische of andere status, of op basis van afkomst (zoals bij de adel) is sterk verminderd. Mensen worden gewaardeerd op basis van wie ze zijn, en veel minder op basis van status of afkomst.
Onderliggend is er een verschuiving die heeft plaats gevonden. Er is overgegaan van verticale naar horizontale structuren. Een verticale structuur is hiërarchisch, een horizontale structuur is een netwerkstructuur.
Met deze verschuiving is ook macht op basis van status komen te vervallen. In een netwerkstructuur staat de ene mens niet boven de andere.